Handel gaat over mensen
Maandag 11 Augustus 2008(verschenen in De Morgen van 1 augustus 2008)
Waarom een nieuw wereldhandelsakkoord niet lukt
Voor de derde julimaand op rij slagen de 153 leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) er niet in overeenstemming te vinden over verdere vrijmaking van de wereldhandel. Sommigen doen daarover nogal doemdenkerig. Ik zie evenwel weinig reden tot zwaarwichtigheid. Op zich is de mislukking niet zo verbazend. Anders dan in de Wereldbank, heeft in de WTO elk land één stem en sinds de Cancuntop van 2003 slagen de ontwikkelingslanden er in om hun stem ook echt te gebruiken. Ze werken immers samen en hebben de technisch zeer complexe onderhandelingen leren beheersen. Waar vroeger het akkoord van de VS, Japan en de EU volstond voor een wereldhandelsakkoord, moeten nu ook China, India, Brazilië en mogelijks nog een hele rist ontwikkelingslanden hun fiat geven. De WTO is dus in zekere zin gedemocratiseerd. Dat is goed nieuws: de organisatie heeft zich aangepast aan de werkelijkheid van verschillende economische machtcentra.
Komt daar nog bij dat deze Doha-onderhandelingsronde, anders dan vroegere rondes, niet uitsluitend over industriegoederen gaat, maar ook over diensten, landbouw en intellectuele eigendomsrechten. Ook dat maakt de onderhandelingen complexer. Meer landen, meer thema’s… het maakt akkoorden veel moeilijker. Al in 2005 stelden we ons in het boek Het Recht van de Rijkste de vraag of een gedemocratiseerde WTO in de toekomst nog wel akkoorden zou kunnen sluiten. Daarom pleiten nogal wat mensen ervoor om de onderhandelingen voortaan op te splitsen en deelakkoorden mogelijk te maken. Anderen willen dat landbouw opnieuw uit de WTO gelicht wordt.
Op zich is het erg begrijpelijk dat wereldhandelsakkoorden geen makkie zijn. Die akkoorden raken immers aan de levens en inkomens van miljarden mensen. Het struikelblok van de jongste onderhandelingen bewijst dat punt. De blokkage kwam er omdat de Verenigde Staten(VS) vonden dat India en China teveel garanties vroegen voor de bescherming van hun kleine boeren tegen invoer. Op zich is de bezorgdheid van China, India en de meeste ontwikkelingslanden om hun kleine boeren begrijpelijk: in de meeste van die landen werkt immers meer dan de helft van de bevolking nog in de landbouw. Dat die regeringen rekening houden met de belangen van honderden miljoenen kleine boeren – ook al staan die politiek doorgaans erg zwak - is feitelijk goed nieuws. Was niet iedereen het erover eens dat de verwaarlozing van de landbouw een van de redenen was van de voedselcrisis van dit voorjaar?
Ook in de rijke landen doet meer vrijhandel sommigen pijn: het is al langer duidelijk dat laaggeschoolde mensen er veeleer verliezers zijn van meer mondialisering. De competitie met lageloonlanden zet hun lonen onder druk. Het deel van de koek dat naar werkende mensen gaat, neemt stelselmatig af in de rijke landen; mondialisering speelt daarin een rol. Dat effect speelt vooral in de VS waar liefst driekwart van de groei naar de 1 procent rijkste mensen is gegaan in de Bushjaren. Slechts een derde van de Amerikanen gelooft dat vrijhandel goed is voor hun land, het laagste cijfer van alle rijke landen. Zou het kunnen dat dit het enthousiasme van de VS voor een akkoord heeft getemperd?
De toegenomen scepsis in het Noorden over vrijhandel heeft er mede voor gezorgd dat gaandeweg de term ‘ontwikkeling’ is verdwenen in wat aanvankelijk de Doha-ontwikkelingsronde heette. Toen de ronde in 2001 startte, werden de ontwikkelingslanden over de streep getrokken met de belofte dat de ronde in het teken van ontwikkeling zou staan. Sindsdien is daarvan niet veel meer gehoord: het werd business-as-usual met de rijke landen die maar iets toegeven als daar iets tegenover staat.
Slotsom is in elk geval dat de honger naar meer vrijhandel momenteel niet groot genoeg is: de weerstand tegen meer mondialisering is groter dan het verlangen ernaar. Daar is niks mis mee. Integendeel, als mondialisering samenlevingen te snelle veranderingen oplegt, krijgt ze teveel tegenstanders en is ze hoedanook niet houdbaar. De huidige stand van de mondialisering heeft de (sterkere) ontwikkelingslanden veel kansen geboden en zo de beruchte Noordzuidkloof wat gedempt. Dat is positief. Die mondialisering blijft overeind, ook al is er geen nieuw akkoord. Hetzelfde geldt voor het juridisch apparaat van de WTO dat toeziet op de naleving van al de duizenden handelsregels.
De toenemende inkomensongelijkheid in de meeste landen geeft aan dat landen zich beter eerst wat toeleggen op het lenigen van die groeiende spanning. En de vuile lucht boven de Olympische Spelen in Beijing suggereert dat de wereldgemeenschap nu misschien best prioriteit geeft aan de zorg voor ons milieu.
